Uitspraak
200202191/1), geldt als voorwaarde voor het opleggen van een last onder dwangsom dat de overtreder het in zijn macht moet hebben om aan de illegale situatie een einde te maken.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde aan de erven van een overledene een last onder dwangsom op om een nader bodemonderzoek uit te voeren op een locatie in Rotterdam. Dit besluit volgde op eerdere onherroepelijke besluiten waarin de ernst van bodemverontreiniging was vastgesteld en een saneringsplan was goedgekeurd.
De verzoeker, een van de erven en mede-eigenaar van de locatie, maakte bezwaar tegen het besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat hij geen overtreder was en dat hij de overtreding niet kon beëindigen vanwege het ontbreken van medewerking van mede-erfgenamen. Tevens voerde hij aan dat er concreet zicht op legalisatie bestond en dat handhavend optreden onevenredig was vanwege beslaglegging op zijn bankrekeningen.
De voorzitter oordeelde dat de erven als overtreder konden worden aangemerkt en dat de verzoeker voldoende macht heeft om het bodemonderzoek te laten uitvoeren. De civielrechtelijke verhoudingen met mede-erfgenamen stonden hieraan niet in de weg. Ook was er geen concreet zicht op legalisatie, aangezien het verzoek tot intrekking van het eerdere besluit was afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De betalingsonmacht van de verzoeker werd niet als bijzondere omstandigheid gezien.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom voor bodemonderzoek wordt afgewezen.