Uitspraak
200909913/1/H2) vloeit reeds uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, en artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Awir voort dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt immers slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die voorschotverlening kan worden herzien. De voorschotten worden ook verrekend met de definitieve tegemoetkoming hetgeen eveneens kan leiden tot een terugvordering. [appellant] kon en mocht er dus niet op vertrouwen dat de Belastingdienst de reeds betaalde voorschotten niet zou terugvorderen. Dat het besluit over de definitieve vaststelling van de huurtoeslag over het jaar 2007 pas geruime tijd later, namelijk op 18 mei 2010, is genomen, vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat eerst op dat moment het toetsingsinkomen van [appellant] kon worden bepaald.