Uitspraak
201100202/1/H2) is kwijtschelding van het verschuldigde bedrag derhalve niet mogelijk. Het geschil over de invorderingsrente valt buiten de omvang van dit geding, zodat dat buiten bespreking moet blijven. Het betoog faalt.
200703206/1vat de Afdeling met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb deze klacht over het lange tijdsverloop aldus op dat de erven betogen dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM), is geschonden en dat zij, indien dit betoog slaagt, de Afdeling verzoeken om vergoeding van de door deze schending geleden immateriële schade.
201100565/1/H2) vangt de termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. De Afdeling stelt vast dat een zodanige periode nog niet is verstreken, zodat een schadevergoeding reeds daarom thans niet verder aan de orde kan komen.