ECLI:NL:RVS:2011:BR5427
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling overschrijding redelijke termijn bij afwijzing verblijfsvergunning en toekenning schadevergoeding
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De bezwaar- en beroepsprocedure duurde in totaal vier jaar en tien maanden, wat de Raad van State als een overschrijding van de redelijke termijn van drie jaar beoordeelt.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling niet ontvankelijk verklaard en geen inhoudelijke beoordeling gegeven over de overschrijding van de redelijke termijn. De Raad van State stelt dat de rechtbank wel een oordeel moet geven over de overschrijding wanneer dit in beroep wordt aangevoerd.
De overschrijding wordt niet gerechtvaardigd geacht vanwege de complexiteit van de zaak, het gedrag van de vreemdeling en de behandeling door bestuursorgaan en rechter. De minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,- en vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak vernietigt het besluit van 31 juli 2009 en de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2010, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de uitkomst bij hernieuwde beoordeling niet anders zal zijn.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.