Uitspraak
200704652/1, geldt de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van Pro het EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt dit beginsel er toe dat een geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Nu onverkort van de geldigheid van het uit voormeld rechtsbeginsel voortvloeiende vereiste binnen de nationale rechtsorde moet worden uitgegaan, geldt dat vereiste derhalve ook voor onderhavige procedure. De Afdeling verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2005 (nr. 39482, AB 2006, 17). Aangezien dit vereiste ook in artikel 6 van Pro het EVRM is neergelegd, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) over de uitleg van deze verdragsbepaling.
200802629/1, is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.9.2. vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
200502898/1, heeft geformuleerd. Evenmin is die beantwoording afhankelijk van de door de minister van Justitie in dit verband genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2006,
200502893/1. De bij de rechtbank bestreden besluiten zijn voor de Stichting belastend en betreffen terugvordering van substantiële bedragen. De Afdeling is van oordeel dat de redelijke termijn is geschonden en dat deze schending moet worden toegerekend aan de rechtbank. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de redelijke termijn niet is geschonden.
200703206/1, moet in een klacht dat de redelijke termijn is geschonden, een verzoek om vergoeding van de door de beweerde schending geleden immateriële schade worden geacht besloten te liggen. Dit is alleen anders, als het tegendeel uitdrukkelijk is gebleken. Nu de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank reeds was geschonden, heeft de rechtbank ten onrechte niet op dat verzoek beslist.