ECLI:NL:RVS:2011:BS8814

Raad van State

Datum uitspraak
14 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201102961/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 54 Wet op de Raad van StateWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens verkeerde procespartij in rechtsbijstandvergoeding

De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch over de vergoeding van rechtsbijstand toegekend door de raad voor rechtsbijstand aan een advocaat voor verleende bijstand in een belastingzaak.

De raad had een vergoeding van € 720,02 toegekend en dit besluit gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van de belanghebbende ongegrond, maar merkte ten onrechte de cliënt als eiser aan in plaats van de advocaat die het beroep had ingesteld.

De Afdeling bestuursrechtspraak constateert dat het beroep door de advocaat op eigen naam was ingesteld en dat de rechtbank op een niet ingesteld beroep heeft beslist. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en dient de rechtbank alsnog te beslissen op het beroep van de advocaat.

Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en het betaalde griffierecht wordt aan de cliënt terugbetaald. De uitspraak is gedaan zonder zitting op basis van schriftelijke stukken.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd omdat deze ten onrechte de verkeerde partij als eiser heeft aangemerkt.

Uitspraak

201102961/1/H2.
Datum uitspraak: 14 september 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Dinteloord, gemeente Steenbergen,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 januari 2011 in zaak nr. 10/213 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (voorheen de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch; hierna: de raad).
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2009 heeft de raad aan [belanghebbende], naar aanleiding van door hem op basis van een toevoeging, als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, aan [appellant] verleende rechtsbijstand, een vergoeding toegekend van € 720,02.
Bij besluit van 3 december 2009 heeft de raad het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2011, verzonden op 26 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 9 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 april 2011.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1. Bij het besluit van 22 juli 2009 heeft de raad de vergoeding voor [belanghebbende] voor door hem in een belastingzaak aan [appellant] verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 720,02. Bij besluit van 3 december 2009 heeft de raad dat besluit gehandhaafd en de toegekende vergoeding ongewijzigd gelaten, omdat [belanghebbende] onvoldoende had aangetoond dat hij zittingen had bijgewoond, op grond waarvan de vergoeding hoger zou uitvallen.
2.2. [appellant] betoogt in hoger beroep uitsluitend dat de rechtbank hem ten onrechte heeft aangemerkt als eiser, met [belanghebbende] als gemachtigde. Volgens [appellant] was hij geen procespartij en dient de uitspraak van de rechtbank daarom te worden vernietigd.
2.3. Anders dan de raad in zijn verweerschrift heeft betoogd, is er geen grond voor het oordeel dat het hoger beroep wegens het ontbreken van voldoende procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De enkele grond van [appellant] dat de rechtbank de uitspraak ten onrechte op zijn naam heeft gesteld omdat hij geen beroep heeft ingesteld, levert voldoende procesbelang op. De aanduiding van partijen dient juist te zijn en de rechtbank kan en mag slechts beslissen op een bij haar ingesteld beroep van degene die zij als eiser heeft aangemerkt. In zaken betreffende de Wet op de rechtsbijstand klemt dit temeer omdat in sommige gevallen alleen de rechtsbijstandverlener en in andere gevallen alleen de rechtzoekende belanghebbende is, terwijl zich ook situaties kunnen voordoen waarin beiden belanghebbende zijn. Daarom is het van belang dat er duidelijkheid bestaat wie beroep heeft ingesteld.
2.3.1. De Afdeling constateert dat zowel uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift van 14 januari 2010 als uit het aanvullende beroepschrift van 15 februari 2010 duidelijk blijkt dat het beroep is ingesteld door [belanghebbende] op eigen naam en titel en niet namens [appellant]. Ook het bezwaar was gemaakt door [belanghebbende] zelf. De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte opgevat als te zijn ingesteld door [appellant] en heeft hem in haar uitspraak ten onrechte als eiser aangemerkt. Dat de rechtbank in de ontvangstbevestiging van het beroepschrift evenals in verdere correspondentie met [belanghebbende] als onderwerp heeft aangeduid "het beroep van [appellant]", en [belanghebbende] dit had kunnen opmerken en de rechtbank had kunnen verzoeken dit recht te zetten, laat onverlet dat de partijstelling bij de uitspraak juist dient te zijn. Het bij de uitspraak aanmerken van de verkeerde persoon als eiser kan in dit geval niet worden gezien als een kennelijke verschrijving. Dit betekent dat de rechtbank heeft beslist op een niet ingesteld beroep. De uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Nu de rechtbank op het door [belanghebbende] ingestelde beroep niet heeft beslist, dient zij dit alsnog te doen.
Het betoog slaagt.
2.4. Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.6. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 januari 2011 in zaak nr. 10/213;
III. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 112,00 (zegge: honderdtwaalf euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.
w.g. Vlasblom w.g. Dallinga
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011
18.