ECLI:NL:RVS:2016:2889
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken bezwaar tegen intrekking vergoeding rechtsbijstand
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van een vergoeding die aan zijn advocaat was toegekend op grond van de Wet op de rechtsbijstand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit, terwijl hem dat redelijkerwijs kan worden verweten.
De Afdeling benadrukt het belang van duidelijkheid over wie bezwaar en beroep maakt in zaken betreffende de Wet op de rechtsbijstand. Hieruit blijkt dat het bezwaar door de advocaat op eigen naam is ingesteld en het beroep namens appellant, maar niet tevens voor de advocaat zelf. De rechtbank heeft daarom terecht alleen appellant als eiser aangemerkt.
Gezien het ontbreken van een bezwaar van appellant tegen het intrekkingsbesluit, had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant alsnog niet-ontvankelijk. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een bezwaar tegen het intrekkingsbesluit.