ECLI:NL:RVS:2011:BT1933
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-toepasselijkheid terugkeerrichtlijn bij overdracht binnen EU-lidstaten
De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de toepassing van de terugkeerrichtlijn op een vreemdeling die op grond van de Dublin-verordening aan een andere lidstaat wordt overgedragen, aannam. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de richtlijn alleen ziet op terugkeer naar derde landen buiten de EU en niet op overdrachten binnen de EU-lidstaten.
De vreemdeling was op 8 februari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld in het kader van de Dublin-procedure en had een asielaanvraag afgewezen gekregen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling. De rechtbank had de bewaring onrechtmatig verklaard en schadevergoeding toegekend, maar de minister stelde hoger beroep in.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de richtlijn toepasselijk achtte omdat de overdracht binnen de EU plaatsvindt en de richtlijn expliciet terugkeer naar derde landen regelt. Tevens bevestigt de Afdeling dat de bewaring rechtmatig is op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij een rechtsvermoeden geldt dat het belang van openbare orde de bewaring vordert.
Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de bewaring van de vreemdeling wordt als rechtmatig bevestigd.