ECLI:NL:RBDHA:2022:44
Rechtbank Den Haag
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring met oog op uitzetting
De rechtbank Den Haag heeft op 5 januari 2022 uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De bewaring was opgelegd vanwege het belang van de nationale veiligheid en met het oog op uitzetting naar Turkije.
Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting meer was, mede omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening had getroffen die uitzetting tijdelijk verbood zolang het hoger beroep tegen het terugkeerbesluit nog niet was beslist. De rechtbank oordeelde dat deze voorlopige voorziening slechts een tijdelijke belemmering vormt en niet op zichzelf de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Er waren geen aanknopingspunten dat het hoger beroep niet binnen afzienbare tijd zou worden beslist, zodat het zicht op uitzetting nog steeds aanwezig is.
Daarnaast stelde eiser dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, onder meer omdat eerdere pogingen om hem naar het Verenigd Koninkrijk uit te zetten vruchteloos waren. De rechtbank vond dat de staatssecretaris wel degelijk voortvarend handelde ten aanzien van Turkije, het land van terugkeer met concreet uitzicht op uitzetting.
De belangenafweging, waarbij het belang van de nationale veiligheid en het inreisverbod voor 20 jaar zwaar wogen, werd door de rechtbank als voldoende beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.