ECLI:NL:RVS:2011:BT2112
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- L. Groenendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boetebesluit Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde verzoekster op 21 april 2010 een boete van €8.000,- op wegens overtreding van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 18, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verzocht zij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen om de uitvoering van het boetebesluit op te schorten.
De voorzitter behandelde het verzoek op 29 augustus 2011. Verzoekster stelde dat onmiddellijke tenuitvoerlegging onomkeerbare financiële gevolgen zou hebben, mede omdat een deurwaarder reeds had gesommeerd tot betaling. De voorzitter oordeelde echter dat dit geen spoedeisend belang oplevert, mede omdat uit overgelegde stukken bleek dat in 2010 een positief resultaat werd behaald en verzoekster geen pogingen had gedaan tot betalingsregeling.
Daarom werd het verzoek om opschorting afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 12 september 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de boete werd afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.