ECLI:NL:RVS:2011:BT6262
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het ontwijken of belemmeren van terugkeerprocedure bij vreemdelingenbewaring
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij zich niet aan zijn vertrektermijn had gehouden en eerder niet rechtmatig in Nederland verbleef. Hij stelde dat hij had meegewerkt aan zijn terugkeer en verwees naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Jusic tegen Zwitserland, waarin werd geoordeeld dat het niet naleven van een vertrektermijn niet automatisch betekent dat de terugkeer wordt ontwijkt.
De Raad van State oordeelde dat de omstandigheden in de zaak Jusic wezenlijk verschillen van die van de vreemdeling, met name omdat Jusic zorg droeg voor minderjarige kinderen en zijn identiteit bekend was bij de autoriteiten. De Raad bevestigde dat het niet naleven van de vertrektermijn in beginsel voldoende grond is om aan te nemen dat de vreemdeling de terugkeer of verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, zoals het naleven van de meldplicht en pogingen tot het verkrijgen van documenten, konden dit oordeel niet wijzigen omdat deze zich pas na de inbewaringstelling voordeden. Het beroep op het arrest Jusic faalde daarom. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.