ECLI:NL:RVS:2011:BT6990
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: beoordeling proportionaliteit en detentieongeschiktheid
De vreemdeling werd op 24 januari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij ongewenst was verklaard en zich niet aan zijn vertrektermijn had gehouden. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring, tevens kende zij schadevergoeding toe.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk was dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zou onttrekken en dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd waarom lichtere middelen zoals meldplicht niet toereikend waren.
De Afdeling nam het standpunt van de minister over dat de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring in 2004 geen concrete inspanningen had verricht om terug te keren naar zijn land van herkomst. Hoewel de vreemdeling medische klachten had, was niet gebleken dat hij detentieongeschikt was. De zorg in de Extra Zorg Afdeling was voldoende. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.