ECLI:NL:RVS:2011:BT7434
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- C.J.M. Schuyt
- N.S.J. Koeman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen besluit nadeelcompensatie Westerscheldetunnel ongegrond verklaard
Appellante ontving een vergoeding van de minister op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 vanwege schade door de opheffing van de veerdienst Vlissingen-Breskens na de opening van de Westerscheldetunnel in 2003. De minister verklaarde het bezwaar van appellante tegen de hoogte van deze vergoeding ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het besluit van de minister, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen dat de minister terecht een kapitalisatiefactor van 9 heeft gehanteerd voor de inkomensschade, wat neerkomt op een schadeperiode van 12 jaar. Daarbij is rekening gehouden met het voortzetten van bedrijfsactiviteiten door appellante tot 15 maart 2003, waardoor de schadeperiode werd verkort tot circa 3,93 jaar. Dit betekent dat appellante redelijkerwijs geacht wordt zich binnen die periode aan te passen aan de gewijzigde situatie.
Appellante stelde dat zij recht had op volledige schadeloosstelling en dat geen rekening mocht worden gehouden met het voortgezet gebruik van haar bedrijfsactiviteiten. De Afdeling verwierp deze stellingen en bevestigde dat de minister de Regeling correct heeft toegepast. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is ongegrond verklaard en de minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.