ECLI:NL:RVS:2011:BT8367
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit overdracht vreemdeling aan Malta ondanks bezwaren over detentie en opvang
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel en het besluit tot overdracht aan Malta op grond van de Dublinverordening. De vreemdeling voerde aan dat de detentie- en opvangomstandigheden in Malta slecht zijn, dat hij geen toegang heeft tot de asielprocedure en dat er een reëel risico bestaat op uitzetting naar Somalië, wat in strijd zou zijn met artikel 3 en Pro 13 EVRM.
De Raad van State overwoog dat de aangevoerde algemene documentatie over de situatie in Malta, waaronder rapporten van UNHCR, ECRI, Amnesty International en andere instanties, weliswaar wijzen op verbeterpunten, maar niet aantonen dat vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen daadwerkelijk opnieuw worden gedetineerd bij aankomst of dat de opvangomstandigheden dermate slecht zijn dat overdracht verboden is. Ook is onvoldoende gebleken dat de asielprocedure in Malta ontoereikend is.
De Raad concludeert dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Malta niet zonder meer kan worden verworpen, maar dat de vreemdeling onvoldoende concrete, individuele feiten heeft aangevoerd om dit te onderbouwen. De enkele melding van een incident van uitzetting in 2005 is onvoldoende om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aan te nemen. De interim measures van het EHRM zijn niet gemotiveerd en bieden geen grond om het besluit te herzien.
Daarom verklaart de Raad het hoger beroep ongegrond en bevestigt het de uitspraak van de rechtbank die het besluit van de minister tot overdracht aan Malta heeft goedgekeurd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot overdracht aan Malta wordt bevestigd.