Uitspraak
200809311/1/H3.
201011330/1/H3. Dat [wederpartij] de gewenste functie niet langer kan uitoefenen, leidt evenmin tot de conclusie dat de minister zich niet op het standpunt mocht stellen dat de weigering van de VOG in dit geval niet evident disproportioneel is. Zoals ter zitting van de Afdeling aan de orde is gekomen, kan [wederpartij] een nieuwe aanvraag voor een VOG indienen, bij de beoordeling waarvan de staatssecretaris rekening zal moeten houden met het sinds het plegen van de delicten verstreken tijdsverloop.