ECLI:NL:RVS:2011:BU2865
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en bewaring vreemdeling bij onderzoek internationale trein
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die de staandehouding van een vreemdeling in een internationale trein op grond van artikel 51, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig heeft geoordeeld. De minister voerde aan dat artikel 51 zich Pro richt op vervoermiddelen en niet op personen en dat het onderzoek niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole, zoals vereist door het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De Raad van State overwoog dat artikel 51, net als artikel 50, is bedoeld voor vreemdelingentoezicht en dat het onderzoek zich kan uitstrekken tot alle inzittenden van een vervoermiddel. Het onderzoek kan plaatsvinden nabij een binnengrens en kan het effect van een grenscontrole hebben. Artikel 51 bevat Pro geen wettelijke waarborgen om dit effect te voorkomen, wat in strijd is met het arrest van het Hof. De minister kon niet aantonen dat het redelijk vermoeden dat aan het onderzoek ten grondslag lag, beperkt was tot een specifieke groep personen.
De Raad van State bevestigde dat de staandehouding onrechtmatig was en dat de daaropvolgende inbewaringstelling niet gerechtvaardigd was, omdat de minister geen belangen had gesteld die de onrechtmatigheid van de staandehouding zouden kunnen rechtvaardigen. De rechtbank had de maatregel van bewaring terecht als niet redelijk beoordeeld. Het hoger beroep van de minister werd als kennelijk ongegrond verworpen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de staandehouding onrechtmatig was en verklaart het hoger beroep van de minister kennelijk ongegrond.