ECLI:NL:RVS:2011:BU5035
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Opheffing van ongewenstverklaring met terugwerkende kracht mogelijk
De vreemdeling, van Colombiaanse nationaliteit en familielid van een EU-burger, had een ongewenstverklaring opgelegd gekregen. Na een verzoek tot opheffing werd dit aanvankelijk slechts met ingang van de datum van het verzoek toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Raad van State stelde in hoger beroep vast dat artikel 68 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen belemmering vormt voor terugwerkende kracht bij opheffing van een ongewenstverklaring.
De Raad oordeelde dat de ingangsdatum van de opheffing niet gebonden is aan de datum van het verzoek, in tegenstelling tot de ingangsdatum van een verblijfsvergunning. Gezien het ontbreken van een actuele bedreiging op 30 april 2006, werd de opheffing met terugwerkende kracht vastgesteld op die datum.
De uitspraak vernietigt het eerdere besluit van de staatssecretaris en vervangt dit door de nieuwe ingangsdatum. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, waarmee de vreemdeling financieel werd gecompenseerd voor de behandeling van het beroep en hoger beroep.
Uitkomst: De opheffing van de ongewenstverklaring wordt met terugwerkende kracht vastgesteld op 30 april 2006.