ECLI:NL:HR:2012:BV8273
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens reeds opgeheven ongewenstverklaring vreemdeling
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 15 april 2008 in Nederland verbleef terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard op grond van artikel 21 van Pro de Vreemdelingenwet. Het hof verklaarde hem hiervoor schuldig. De raadsman van de verdachte zond aan de Hoge Raad een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mee, waarin was vastgesteld dat de ongewenstverklaring van de verdachte al op 30 april 2006 was opgeheven.
De Hoge Raad oordeelde dat aangezien de ongewenstverklaring op het moment van de tenlastelegging reeds was opgeheven, de veroordeling niet in stand kon blijven. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak werd om redenen van doelmatigheid door de Hoge Raad zelf afgedaan met vrijspraak.
De beslissing betekent dat de verdachte niet langer strafbaar is voor het ten laste gelegde feit, omdat de juridische grondslag van de ongewenstverklaring niet meer bestond op het moment van het vermeende strafbare feit. De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van actuele en juiste feiten in strafzaken tegen vreemdelingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en spreekt verdachte vrij omdat de ongewenstverklaring op het tijdstip van het ten laste gelegde feit was opgeheven.