Uitspraak
200801014/1) gestelde prejudiciële vragen.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
200802872/1), bestaat immers geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. [appellante] is, met het overleggen van de verklaring van 28 augustus 2008, hierin niet geslaagd. Deze ziet immers slechts op de financiële situatie in de periode van januari 2009 tot en met mei 2009. Voorts volgt uit die verklaring slechts dat [appellante] in 2009 inteerde op het eigen vermogen. De voorzieningenrechter heeft de overige door [appellante] op 8 juni 2009 ter staving van haar financiële situatie overgelegde stukken buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde, omdat niet is gebleken dat zij deze niet in een eerder stadium had kunnen overleggen. [appellante] is hiertegen niet opgekomen. Het betoog faalt.