ECLI:NL:RVS:2011:BU7533
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatige intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na huwelijk
De vreemdeling, gehuwd in 2003 met een Nederlandse echtgenote, kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die werd verlengd tot 2008. Na feitelijke verbreking van het huwelijk in 2006 en echtscheiding in 2007, werd de vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2006. De vreemdeling had vanaf oktober 2005 meer dan een jaar legale arbeid verricht bij één werkgever.
De minister weigerde de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning in voortgezet verblijf toe te staan en handhaafde de intrekking. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling deels gegrond, maar de minister ging in hoger beroep. De Raad van State oordeelde dat de intrekking met terugwerkende kracht onrechtmatig was omdat geen sprake was van frauduleus handelen en de intrekking na het tijdvak van een jaar legale arbeid plaatsvond.
De Raad van State vernietigde het besluit van de minister en de uitspraak van de voorzieningenrechter en beval dat de minister een nieuw besluit neemt waarbij de voorwaarden voor voortgezet verblijf volgens artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 worden getoetst. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.