ECLI:NL:RVS:2011:BU8616
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd wegens ontbreken rechtmatig verblijf
De vreemdeling had een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 6 januari 2005 tot 6 januari 2010, die op 29 juni 2009 met terugwerkende kracht tot 19 juni 2006 werd ingetrokken. Het beroep tegen deze intrekking werd op 10 maart 2010 ongegrond verklaard, waardoor vaststond dat de vreemdeling sinds 19 juni 2006 geen rechtmatig verblijf meer had.
De vreemdeling vroeg vervolgens op 14 december 2009 om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, maar de minister wees deze aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de eis van vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf direct voorafgaand aan de aanvraag, zoals vereist in artikel 8, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had erkend dat de opschorting van het intrekkingsbesluit op grond van artikel 82 Vw Pro 2000 betekende dat zij gedurende de beroepstermijn rechtmatig verblijf genoot, waardoor zij wel aan de vijfjaarseis voldeed.
De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de vreemdeling niet aan de vijfjaarseis voldeed, omdat de intrekking van de verblijfsvergunning met ingang van 19 juni 2006 in rechte vaststond en de opschorting van het besluit niet tot rechtmatig verblijf leidde. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De aanvraag verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt afgewezen wegens het ontbreken van vijf jaar rechtmatig verblijf.