ECLI:NL:RVS:2011:BV0963
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Toetsing beleidsregel over problemen Iraanse bekeerlingen voor verblijfsvergunning asiel
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beleid inzake Iraanse bekeerlingen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV 2007/15) zonder terughoudendheid heeft getoetst. De minister stelde dat de rechtbank ten onrechte zijn uitleg van het begrip 'problemen om andere reden dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende reden vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen' niet terughoudend had getoetst.
De rechtbank had geoordeeld dat het begrip niet beperkt kan worden tot problemen die een vreemdeling aanleiding geven het land van herkomst te verlaten en elders asiel aan te vragen, maar ook andere problemen omvat die op zichzelf onvoldoende zijn voor verlening van een verblijfsvergunning. De Raad van State bevestigt dat de rechtbank de uitleg van de beleidsregel zonder terughoudendheid mocht toetsen, omdat de tekst van WBV 2007/15 geen aanwijzing geeft dat het begrip een nadere invulling behoeft.
De minister had de vreemdeling na de uitspraak alsnog een verblijfsvergunning verleend, maar handhaafde het hoger beroep. De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.