Uitspraak
200808366/1/H1), dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het desbetreffende bestuursorgaan toe te rekenen, concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daargelaten of de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007 aldus bedoeld is dat het bouwplan één op één in het bestemmingsplan overgenomen zou worden, is de raad niet aan het in deze brief gestelde gebonden en heeft hij in zoverre anders kunnen besluiten. Gelet op de omstandigheden dat de Commissie Ruimte op de hoogte is gesteld van de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007 en dat in de Commissie Ruimte verschillende raadsleden zitting hebben, is aannemelijk dat de raad wist van de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 mei 2007 en dat hij deze brief in zijn afwegingen heeft betrokken. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.
200206819/1, is artikel 3:11 van Pro de Awb te zien als een uitwerking van de openbaarmakingsplicht, die ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan.
200907470/1/R3acht de Afdeling in beginsel aanvaardbaar dat de op het plan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling daarvan op een andere plaats binnen het gemeentehuis ter inzage liggen dan het plan zelf. Om te verzekeren dat ten aanzien van deze stukken daadwerkelijk wordt voldaan aan de actieve openbaarmakingsplicht, dient bij een dergelijke handelwijze het plan vergezeld te gaan van een duidelijke omschrijving van die stukken, bijvoorbeeld door een inventarislijst waarop staat vermeld welke stukken het betreft, en dient kenbaar te worden gemaakt en verzekerd te zijn dat deze op afroep onverwijld beschikbaar zijn voor inzage.
200801932/1/R1, 29 september 2010 in zaak nr.
200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwregels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het voldoen aan deze verplichting is nodig indien gebruik wordt gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om de kosten voor het archeologisch vooronderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.
201002182/2/R1alsnog in de komende wijziging van het bestemmingsplan gemotiveerd zal aangeven dat in de nabijheid van het aannemersbedrijf een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
201002182/2/R1. De Afdeling ziet in de stukken geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen.