Uitspraak
200801014/1) gestelde prejudiciële vragen.
200905473/1/V6is het aan de minister om aan te tonen dat sprake is van een overtreding. De rechtbank heeft, nu de inspecteur tien van de vreemdelingen aan het werk heeft gezien, waarvan er vier zijn gehoord en voorts uit de urenadministratie van [bedrijf] is gebleken dat in totaal 27 vreemdelingen bij [appellante] arbeid hebben verricht, terecht overwogen dat voldoende vast is komen te staan dat alle 27 vreemdelingen werkzaamheden hebben verricht voor [appellante]. In dit verband wordt overwogen dat, zelfs indien de minister enkel een administratief onderzoek aan het boeterapport ten grondslag zou hebben gelegd, dat niet met zich zou hebben gebracht dat reeds daarom niet is aangetoond dat [appellante] 27 overtredingen van de Wav heeft begaan.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200604911/1), is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil aangaande een punitieve sanctie in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak is gedaan en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984; AB 2006, 11). Voor de bepaling van de redelijke termijn dient de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof echter niet te worden meegerekend indien het afwachten van die beslissing redelijk is (arrest van de Hoge Raad van 9 april 2010, nr. 07/10306; AB 2010, 266).