Uitspraak
200901350/1/R3), vangt ingevolge de Wro de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan en maakt het doen van een kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1 van het Bro geen onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure. Mede omdat in die fase nog ontwikkelingen kunnen optreden hoeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Bro verder niet identiek te zijn aan een kennisgeving van het ontwerpplan. Niet in geschil is dat het perceel waaraan in het plan de aanduiding "paardenhouderij" is toegekend in de kennisgeving van het ontwerpplan is genoemd. Gelet hierop ziet de Afdeling in het door [appellant sub 1] gestelde ten aanzien van de verschillen in de kennisgevingen geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ten aanzien van het ontwerpbesluit niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dat in de plantoelichting van het ontwerpplan staat dat de aanduiding "paardenhouderij" is toegekend aan het perceel Bakelseweg 34, terwijl dit in zijn ogen Bakelseweg 32 moet zijn, maakt dat niet anders, reeds omdat [appellant sub 1] de gelegenheid had en het tot zijn verantwoordelijkheid behoorde om het ontwerpplan inclusief de verbeelding tijdig te raadplegen teneinde hiertegen tijdig een zienswijze in te dienen. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad in strijd met het beginsel van fair play heeft gehandeld, nu het aannemelijk is te achten dat het niet noemen van de terinzagelegging geen gevolg is van het bewust achterhouden van informatie maar van besluitvorming door verschillende bestuursorganen.