ECLI:NL:RVS:2012:BV3709
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na onrechtmatige staandehouding
In deze zaak is de vreemdeling op 14 april 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank heeft op 28 april 2011 de bewaring opgeheven en de vreemdeling een schadevergoeding toegekend vanwege een onrechtmatige staandehouding voorafgaand aan de bewaring.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij hij onder meer aanvoerde dat de bewaring gerechtvaardigd was vanwege de belangen van de openbare orde en het feit dat een Dublinclaim naar Frankrijk was verzonden.
De Raad van State overwoog dat de onrechtmatigheid van de staandehouding de rechtmatigheid van de bewaring kan aantasten, tenzij de belangen van bewaring in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. De minister heeft echter onvoldoende belangen gesteld om dit te onderbouwen. De enkele verzending van een Dublinclaim is niet toereikend om het gebrek te passeren.
Daarom werd het hoger beroep van de minister ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.