ECLI:NL:RVS:2012:BV3713
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: toetsing proportionaliteit en rechtmatigheid
De vreemdeling werd op 12 mei 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring, met toekenning van schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat hoewel de staandehouding onrechtmatig was, de daaropvolgende bewaring niet onrechtmatig is indien de belangen van bewaring in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek. De vreemdeling had verklaard uit Marokko te komen, zonder reisdocumenten te zijn, en had asiel aangevraagd in Zweden maar de procedure niet afgewacht. Tevens gebruikte hij aliassen en had geen middelen van bestaan.
Gezien deze omstandigheden oordeelde de Raad van State dat de belangen van de bewaring opwegen tegen het belang van de vreemdeling. Ook werd geoordeeld dat de richtlijn 2008/115/EG niet van toepassing was omdat sprake was van mogelijke overdracht aan een andere lidstaat op grond van Verordening (EG) 343/2003. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.