Uitspraak
200608113/1.
Raad van State
De minister van Infrastructuur en Milieu stelde op 16 maart 2011 het tracébesluit Sporen in Den Bosch vast, gericht op het uitbreiden van het spoor van twee naar vier sporen en het verbeteren van de capaciteit rond het station 's-Hertogenbosch. Diverse bewoners en verenigingen dienden beroep in tegen dit besluit, met bezwaren over onder meer geluidshinder, trillingsoverlast, veiligheid en procedurele aspecten.
De Raad van State oordeelde dat het beroep van een appellant die zich als treinreiziger meldde niet-ontvankelijk was wegens gebrek aan rechtstreeks belang. De overige beroepen werden inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De Afdeling concludeerde dat de minister de geluidbelasting op correcte wijze had berekend volgens het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 en dat de toepassing van geluidschermen doelmatig was. Ook werd geoordeeld dat de minister voldoende rekening had gehouden met cumulatie van geluidbronnen en dat de trillingsoverlast binnen aanvaardbare grenzen bleef volgens de SBR-richtlijn.
Verder was de minister bevoegd en had hij een zorgvuldige belangenafweging gemaakt, waarbij de veiligheidsrisico's en toekomstige ontwikkelingen adequaat waren betrokken. De bezwaren over het ontbreken van overleg en gecoördineerde voorbereiding faalden, evenals de klachten over het ontbreken van specifieke gevelmaatregelen in het besluit. De Raad van State bevestigde daarmee het tracébesluit en wees de beroepen af.
Uitkomst: Beroepen tegen het tracébesluit spooruitbreiding Den Bosch worden ongegrond verklaard en het tracébesluit bevestigd.