ECLI:NL:RVS:2012:BW0006
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken terugkeergedrag en identiteitspapier
De vreemdeling werd op 1 maart 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van een identiteitspapier, geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Gelijktijdig werd een terugkeerbesluit genomen en uitgereikt. De minister stelde dat dit in overeenstemming was met de Terugkeerrichtlijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. De minister ging hiertegen in hoger beroep. De Raad van State bevestigde dat het gelijktijdig opleggen van de maatregel en het uitreiken van het terugkeerbesluit rechtmatig was, maar oordeelde dat de omstandigheden niet voldoende waren om de bewaring te dragen.
De minister kon niet aantonen dat de vreemdeling de terugkeer of verwijderingsprocedure belemmerde of ontweek. De vreemdeling had verklaard pas bij aanhouding in Duitsland zijn portemonnee met identiteitsbewijs te zijn verloren, hetgeen niet werd weersproken. De maatregel van bewaring werd daarom van meet af aan onrechtmatig verklaard.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, en een vergoeding toegekend over de periode van bewaring. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring werd onrechtmatig verklaard en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend.