Uitspraak
200805053/1) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Bij besluit van 24 september 2009 is het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien omdat uit controle is gebleken dat bij de berekening van het voorschot is uitgegaan van onjuiste gegevens. Bij besluit van 6 juli 2011 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat kosten van kinderopvang zijn gemaakt omdat bewijsstukken van daadwerkelijke betaling over 2008 ontbreken. In dit verband is van belang dat [appellant] hangende de procedure in de gelegenheid is gesteld gegevens aan de Belastingdienst te overleggen. [appellant] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Belastingdienst heeft zich gelet daarop terecht op het standpunt gesteld dat van het horen kon worden afgezien omdat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat de bezwaren tot een andersluidend besluit konden leiden. Ook het betoog van [appellant] dat de rechtbank hem niet in de gelegenheid heeft gesteld nader bewijs te overleggen baat hem niet, reeds omdat hij ook in hoger beroep geen bewijs heeft overgelegd.
201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. De Belastingdienst mocht dan ook [appellant] om (nadere) gegevens vragen waaruit blijkt welke bedragen hij heeft betaald aan de gastouder.