Uitspraak
200400651/1, volgt uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te worden aangemerkt. Derhalve kunnen [appellanten sub 4] als natuurlijke personen op grond daarvan niet als belanghebbenden worden aangemerkt.
201011757/1/R1 en 201012728/1/R1, waarin het besluit van provinciale staten van Limburg van 8 oktober 2010 tot vaststelling van het inpassingsplan in het geding was, is de Afdeling reeds ingegaan op de gevolgen van de BPL voor de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Daarin is vastgesteld dat niet in geschil is dat de BPL op zichzelf een toename van de stikstofdepositie op de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide tot gevolg zal hebben. Voorts is overwogen dat, voor zover het de beëindiging van de bedrijfsvoering van de manege en de maatregelen in de Natura 2000-gebieden ter vermindering van de effecten van stikstofdepositie op die gebieden betreft, onvoldoende duidelijk is in hoeverre met deze maatregelen de gevolgen voor de stikstofdepositie kunnen worden gemitigeerd. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.
201107073/2/R3) staat het in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. De op dit punt door het college te maken keuze, kan door een belanghebbende ter toetsing aan de bestuursrechter worden voorgelegd.