Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2015 in de zaken tussen
(gemachtigden: mr. dr. L. Bier en H.G. Steutel)
(gemachtigde: mr. I.J.H. Bouman)
eiser 5, hierna ook: De Ronde Venen
de minister van Infrastructuur en Milieu, hierna: de minister,
Procesverloop
UTR 13/268.
[I] (verkeersgegevens).
Overwegingen
In september 2010 is de verbreding in zijn totaliteit opgeleverd, waarna deze is opengesteld voor verkeer. Van september 2010 tot 1 december 2012 gold op het wegtraject waarop het verkeersbesluit ziet gedurende het gehele etmaal een maximumsnelheid van 100 km/h.
Verder zijn de van toepassing zijnde wetsartikelen weergegeven zoals zij luidden ten tijde van nemen van het verkeersbesluit, dus op 29 november 2012.
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
Eveneens uit vaste rechtspraak van de ABRvS – bijvoorbeeld de uitspraak van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4475) – volgt dat een bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
Het WAB A2 is op grond van de Spoedwet vastgesteld. Uit de Memorie van Toelichting bij de Spoedwet (TK 2002-2003, 28 679, nr. 3) volgt dat deze wet het karakter heeft van een lex specialis: hij biedt bijzondere, van reguliere wetgeving afwijkende voorzieningen voor een specifieke categorie wegaanpassingsprojecten, om in dat geval te komen tot versnelling van procedures. De Spoedwet geeft een eigen procedureregeling voor een limitatief aantal wegaanpassingen, dat in de bijlage bij de wet is vermeld. De bovengenoemde passage uit het Nader rapport bij de Chw bevestigt dat uit artikel 11, vijfde lid, van de Spoedwet volgt dat, wanneer in een wegaanpassingsbesluit maatregelen of voorzieningen zijn beschreven waarvoor krachtens artikel 15 van Pro de WVW 1994 op zichzelf genomen een verkeersbesluit zou zijn vereist, dit verkeersbesluit onderdeel wordt van en daarmee als het ware ‘opgaat’ in het wegaanpassingsbesluit. Van een afzonderlijk verkeersbesluit, waartegen afzonderlijk rechtsbescherming openstaat, is dan geen sprake. Met het opnemen van een maximumsnelheid van 100 km/h in het WAB A2, heeft de minister toepassing gegeven aan artikel 11, vijfde lid, van de Spoedwet. De wegverbreding is op basis hiervan gerealiseerd.
De wegverbreding is nu geen onderwerp van besluitvorming, het thans bestreden besluit betreft alleen de snelheidsverhoging gedurende de avond en nacht. Of dat verkeersbesluit de rechterlijke toets kan doorstaan, volgt uit de beoordeling die daarop moet worden toegepast en zoals hiervoor omschreven onder rechtsoverweging 7. Als eisers zouden worden gevolgd in hun standpunt, dan zou dat betekenen dat elk (verkeers)besluit dat ziet op het weggedeelte dat tot stand is gekomen met een WAB, opnieuw de volledige WAB-procedure zou moeten doorlopen. Daarvoor ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Voor zover in de beroepsgronden van eisers over inhoudelijke aspecten, een relatie wordt gelegd met de eisen voor een WAB, laat de rechtbank dat buiten verdere bespreking, onder verwijzing naar wat hier voor is geoordeeld.
,maar ook naar de ruimtelijke context en de cumulatie met de omgeving. Ter onderbouwing verwijst De Ronde Venen naar het arrest van het HvJ EG van 15 oktober 2009 (ECLI:EU:C:2009:630).
Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wm worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
Gelet op de uitspraak van de ABRvS van 27 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW9553), waarin is verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 17 maart 2011 (ECLI:NL:XX:2011:BP9200), is de rechtbank van oordeel dat het pas om een ‘project’ in de zin van de mer-richtlijn gaat, zodra er werken of ingrepen plaatsvinden die de materiële toestand van de plaats veranderen. Daarvan is bij een wijziging van een snelheidsregime geen sprake. Overigens is evenmin sprake van een eerste fase in een mer-plichtig project, nu de dynamische snelheidsverhoging op zichzelf staat en daarvoor geen verdere besluitvorming nodig is, terwijl voor de gerealiseerde infrastructuur al een mer is uitgevoerd. De beroepsgronden slagen derhalve niet.
De minister heeft voorts de wijze van onderzoek toegelicht en aangegeven dat daarbij als uitgangspunt geldt dat hoe dichter de geluidproductie het plafond nadert, hoe meer onderzoek er moet worden verricht. Op het deel van het traject waar dit besluit op ziet, geldt voor alle referentiepunten dat de geluidproductie in 2012 na invoering van het dynamische snelheidsregime ruim beneden het geluidproductieplafond ligt. Deze geluidproductie is 0,7 tot 2 dB (dus meer dan 0,5 dB) lager dan het plafond, zodat er geen noodzaak bestaat om naar andere zichtjaren te kijken. Het betoog van Stichtse Vecht, dat de minister zich ten onrechte heeft beperkt tot 2012, geeft de rechtbank geen aanleiding de door de minister gehanteerde onderzoekswijze onjuist te achten. Dit betoog slaagt evenmin.
De minister heeft toegelicht dat er geen verplichting is om projecten of ontwikkelingen vooraf aan te melden bij het NSL. Wel dienen deze, indien ze effect hebben op de luchtkwaliteit, verwerkt te worden in de NSL Monitoringstool. Aan de hand van deze monitoring zal steeds worden bezien of aanpassing van het maatregelpakket is vereist. De systematiek van het NSL met de jaarlijkse monitoring en eventuele bijstelling van de projecten dan wel de maatregelen is door de bestuursrechter geaccepteerd. De tijdelijke vrijstelling maakt het niet onmogelijk dat nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, mits tijdig aan de grenswaarden wordt voldaan. Bij het onderhavige luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van de NSL Monitoringstool 2011 en de resultaten van het ‘Milieuonderzoek uitrol 130 km/h. Fase 2’. Uit dit onderzoek blijkt dat na de snelheidsverhoging wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit, zodat dit aspect niet aan het nemen van het verkeersbesluit in de weg stond. Omdat het verkeersbesluit is genomen ná het moment waarop de modelberekeningen voor de verkeersgegevens ten behoeve van de monitoringsronde 2012 zijn uitgevoerd, zal de snelheidsverhoging op het onderhavige traject worden verwerkt in de Monitoringstool 2013.In hetgeen Stichtse Vecht aanvoert, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat deze toelichting onjuist is of het aspect luchtkwaliteit op een andere manier had moeten worden beoordeeld.
De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat niet alleen de gemiddelde verkeersbijdrage aan stikstofdepositie per habitattype in beeld is gebracht, maar dat eveneens de maximale stikstofdepositie als gevolg van wegverkeer is beschouwd. De maximale verkeersbijdrage treedt over het algemeen op aan de rand van het habitattype dat het dichtst bij de weg is gelegen en betreft veelal een beperkte oppervlakte van het habitattype. Uit de natuurtoets blijkt dat voor de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen geen noemenswaardige verschillen naar voren komen tussen de maximale en de gemiddelde verkeersbijdrage aan stikstofdepositie. Voor deze habitattypen kan de verandering in de gemiddelde verkeersbijdrage daarin als representatief worden gezien voor de verandering in het gehele gebied. Voor de habitattypen Trilvenen en Kranswierwateren gaat dat voor het Beschermd Natuurmonument Terra Nova in relatie tot de uitbreidingsdoelstelling niet op en is de maximale verkeersbijdrage in de ecologische beoordeling betrokken, aldus de minister.
Nu Stichtse Vecht niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze bevindingen van de natuurtoets onvolledig of onjuist zijn, noch aannemelijk is gemaakt dat een nadeliger effect is te verwachten, is er voor de rechtbank geen reden om het standpunt van de minister voor onjuist te houden of te oordelen dat de tijdelijke toename zodanig negatief is, dat om die reden het verkeersbesluit onevenredig is.
1 dB(A) blijft. Gezien de zeer beperkte toename aan geluid en het ontbreken van piekgeluiden is er op voorhand geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen 10 en 11 van de Ffw. De in artikel 8 van Pro de Ffw opgenomen verboden zijn van toepassing indien sprake is van ‘vernieling’ of ‘beschadiging’ van beschermde plantensoorten. Uit de stikstofberekeningen is af te leiden dat de snelheidsverhoging tot een zeer beperkte en tijdelijke toename van stikstofdepositie leidt, welke geen vernieling of beschadiging tot gevolg heeft.
Bebording
Beslissing
mr. drs. S. Wijna, leden, in aanwezigheid van mr. C.J. van Niejenhuis-Baijens, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.