ECLI:NL:RVS:2012:BW4893
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen objectieve belemmering voor verblijf bij gezinsleden in Nederland
De vreemdeling diende op 29 juni 2006 een asielaanvraag in, die op 6 juli 2006 werd afgewezen. Zij kreeg uitstel van vertrek tot 29 september 2006 vanwege haar zwangerschap, wat rechtmatig verblijf in Nederland mogelijk maakte. Vervolgens werd haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, waarop zij bezwaar maakte en beroep instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde echter dat er geen objectieve belemmering was om het gezinsleven in Irak voort te zetten, mede omdat referent in 2005 naar Irak was teruggekeerd en daar geen belemmeringen had ondervonden die verband hielden met de asielvergunning. De rechtbank had onvoldoende gemotiveerd waarom dit standpunt onvoldoende was.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht het vermoeden van een objectieve belemmering had weerlegd en dat de vreemdeling onvoldoende feiten had aangevoerd om dit te betwisten. Ook was geen sprake van een inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro. De belangenafweging van de minister was zorgvuldig en hield rekening met de veiligheidssituatie in Irak, de zorg voor de kinderen en het gezinsleven. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en haar aanvraag voor verblijf geweigerd.