ECLI:NL:RVS:2012:BW4918
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.A.A. Mondt Schouten
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op opvang na afwijzing asielaanvraag en vertrektermijn
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wees een aanvraag van een vreemdeling af om verstrekkingen voort te zetten na afloop van de vertrektermijn van vier weken na een afwijzend asielbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat het COa de opvang moest voortzetten zolang een voorlopige voorziening was getroffen die uitzetting verhinderde.
Het COa stelde hoger beroep in bij de Raad van State, stellende dat het recht op opvang eindigt na de vertrektermijn, tenzij uitzetting tijdens de behandeling van een verzoek tot voorlopige voorziening achterwege blijft. De rechtbank had volgens het COa ten onrechte aangenomen dat het recht op opvang voortduurt bij een getroffen voorlopige voorziening.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank de wetsgeschiedenis en tekst van de Vreemdelingenwet 2000 en de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 2005) niet juist had geïnterpreteerd. De vertrektermijn van vier weken is bindend en het recht op opvang eindigt na deze termijn, tenzij een voorlopige voorziening is getroffen die uitzetting voorkomt. In het onderhavige geval waren geen zeer bijzondere omstandigheden die opvang rechtvaardigen na de vertrektermijn aannemelijk gemaakt.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.