ECLI:NL:RVS:2012:BW5523
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling niet toegelaten tot voortgezet verblijf wegens onvoldoende bewijs duurzame relatie met Unieburger
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument als partner van een Unieburger, maar de minister wees deze af omdat niet was aangetoond dat zij langer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding voerde. De rechtbank verklaarde het beroep niet ontvankelijk, maar de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte stelde dat de vreemdeling geen belang had bij de beoordeling van haar beroep.
De Raad van State stelde vast dat de vreemdeling slechts vier maanden met haar voormalige partner had samengewoond, waardoor niet werd voldaan aan de vereisten voor een duurzame relatie zoals bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Hierdoor kon geen rechtmatig verblijf worden toegekend op grond van artikel 8.15, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000.
De Raad van State verwierp tevens het betoog dat er sprake was van discriminatie vanwege een zwaardere bewijslast voor ongehuwde partners van Unieburgers. Ook was het horen van de vreemdeling niet verplicht omdat het bestaan van de duurzame relatie niet deugdelijk was bewezen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van een duurzame relatie, waardoor voortgezet rechtmatig verblijf wordt geweigerd.