ECLI:NL:RVS:2012:BW9116
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.A.A. Mondt Schouten
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bestendiging besluit minister inzake weigering machtiging tot voorlopig verblijf wegens twijfel aan echtheid geboorteakte
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging met haar in Nederland wonende moeder. De minister weigerde dit op grond van twijfel aan de echtheid van de overgelegde geboorteakte, die gelegaliseerd zou zijn door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Democratische Republiek Congo (DRC).
De rechtbank vernietigde het besluit van de minister en beval een hernieuwde beoordeling, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand. Zowel de vreemdeling als de minister gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had vastgesteld dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand moesten blijven. Uit nader onderzoek door Bureau Documenten bleek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de legalisatie van de geboorteakte niet authentiek was en mogelijk niet bevoegd was opgemaakt. De minister had terecht het standpunt ingenomen dat de vreemdeling haar familierechtelijke relatie niet had aangetoond.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond en dat van de minister gegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze niet de rechtsgevolgen in stand liet en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De rechtsgevolgen van het besluit van 22 april 2010 blijven geheel in stand. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit van 22 april 2010 blijven in stand en het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.