ECLI:NL:RVS:2014:3674

Raad van State

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
15 oktober 2014
Zaaknummer
201309210/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • E. Steendijk
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:58 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 7:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit verlenging verblijfsvergunning minderjarige vreemdeling wegens onjuiste termijnvaststelling

De zaak betreft het hoger beroep van een minderjarige vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar tegen een besluit van de staatssecretaris ongegrond verklaarde. De oorspronkelijke verblijfsvergunning voor bepaalde tijd was verleend op 23 augustus 2012 met een geldigheidsduur tot 30 december 2012. De moeder van de vreemdeling had echter haar verblijfsvergunning op 12 september 2012 verlengd gekregen tot 30 december 2017.

De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris bij het besluit op bezwaar op 1 maart 2013 de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning ook had moeten aanpassen aan de verlenging van de verblijfsvergunning van haar moeder, conform artikel 3.58 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank had dit echter niet erkend en oordeelde dat de geldigheidsduur van de moeder ten tijde van het oorspronkelijke besluit leidend was.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat bij het besluit op bezwaar het besluit van 23 augustus 2012 volledig heroverwogen had moeten worden met inachtneming van de feiten en omstandigheden op het moment van het bezwaarbesluit. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 1 maart 2013 en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van 1 maart 2013 wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

201309210/1/V2.
Datum uitspraak: 10 oktober 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[wettelijk vertegenwoordiger], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 september 2013 in zaak nr. 13/7647 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen ingewilligd.
Bij besluit van 1 maart 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 5 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. Ingevolge artikel 3.58 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder a, c, e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000, van de ouder.
2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris haar op goede gronden een verblijfsvergunning heeft verleend die geldig was tot 30 december 2012 en dat de staatssecretaris het door haar gemaakte bezwaar mede daarom terecht ongegrond heeft verklaard. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris bij het op 1 maart 2013 nemen van het besluit op het bezwaar gehouden was ingevolge artikel 3.58 van het Vb 2000 een langere geldigheidsduur toe te kennen aan de aan haar verleende verblijfsvergunning, nu de staatssecretaris bij besluit van 12 september 2012 de geldigheidsduur van de aan haar moeder verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd had verlengd tot 30 december 2017.
2.2. Aan de aangevallen overweging heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de moeder van de vreemdeling ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning bij besluit van 23 augustus 2012, in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die geldig was tot 30 december 2012. Dat de geldigheidsduur van de aan de moeder verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ten tijde van het besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar inmiddels was verlengd, is volgens de rechtbank niet relevant.
2.3. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris bij het nemen van het besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar ingevolge artikel 7:11 van Pro de Awb het besluit van 23 augustus 2012 volledig diende te heroverwegen. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden zoals deze bestaan ten tijde van het nemen van dat besluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2012 in zaak nr. 201101639/1/V1). In dit geval betekent dit dat de staatssecretaris bij het besluit van 1 maart 2013 had moeten betrekken dat de geldigheidsduur van de aan de moeder van de vreemdeling verleende verblijfsvergunning, die ingevolge artikel 3.58 van het Vb 2000 mede bepalend is voor de vaststelling van de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning, bij besluit van 12 september 2012 was verlengd tot 30 december 2017. Anders dan besloten ligt in hetgeen de rechtbank heeft overwogen, noopt artikel 3.58 van het Vb 2000, gelet op de aard van de daarin neergelegde bevoegdheid en in aanmerking genomen dat daarin niet wordt bepaald wat het peilmoment is voor de vaststelling van de relevante feiten, niet tot afwijking van voormeld uitgangspunt.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 1 maart 2013 vernietigen.
4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 september 2013 in zaak nr. 13/7647;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 maart 2013, V-nummer [v-nummer];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Bossmann
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2014
314-753.