ECLI:NL:RVS:2014:3674
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlenging verblijfsvergunning minderjarige vreemdeling wegens onjuiste termijnvaststelling
De zaak betreft het hoger beroep van een minderjarige vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar tegen een besluit van de staatssecretaris ongegrond verklaarde. De oorspronkelijke verblijfsvergunning voor bepaalde tijd was verleend op 23 augustus 2012 met een geldigheidsduur tot 30 december 2012. De moeder van de vreemdeling had echter haar verblijfsvergunning op 12 september 2012 verlengd gekregen tot 30 december 2017.
De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris bij het besluit op bezwaar op 1 maart 2013 de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning ook had moeten aanpassen aan de verlenging van de verblijfsvergunning van haar moeder, conform artikel 3.58 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank had dit echter niet erkend en oordeelde dat de geldigheidsduur van de moeder ten tijde van het oorspronkelijke besluit leidend was.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat bij het besluit op bezwaar het besluit van 23 augustus 2012 volledig heroverwogen had moeten worden met inachtneming van de feiten en omstandigheden op het moment van het bezwaarbesluit. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 1 maart 2013 en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van 1 maart 2013 wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.