Uitspraak
200303055/1), is het aan de minister om te oordelen of de identiteit met behulp van de overgelegde stukken is komen vast te staan, dan wel aannemelijk geworden.
Raad van State
Appellante verzocht om naturalisatie voor zichzelf en haar minderjarige kind, maar de minister van Justitie wees dit verzoek af omdat zij geen geldig buitenlands reisdocument kon overleggen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de interpretatie van de vereisten voor het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument bij naturalisatieverzoeken, zoals voorgeschreven in de Rijkswet op het Nederlanderschap en de bijbehorende Handleiding. Appellante stelde dat zij haar Iraakse nationaliteit voldoende had aangetoond met verklaringen van de Iraakse ambassade en dat het beleid van de minister onredelijk was.
De Raad van State oordeelde dat het beleid om een geldig buitenlands reisdocument te verlangen niet onredelijk is en dat appellante onvoldoende had aangetoond dat zij wegens bewijsnood niet in staat was een dergelijk document te overleggen. Ook haar persoonlijke omstandigheden en de afstand tot de Iraakse ambassade in Amman rechtvaardigden geen uitzondering. Het beroep op de hardheidsclausule van artikel 10 RWN Pro faalde eveneens omdat deze niet van toepassing is op de grondslag van afwijzing.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de minister in redelijkheid kon besluiten het verzoek af te wijzen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.