Uitspraak
200708557/1, is met artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Invoeringswet Wro) beoogd te bepalen dat een bestemmingsplan dat op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) tot stand is gekomen het rechtsgevolg behoudt dat het onder de WRO had. Het onder de WRO tot stand gekomen bestemmingsplan is in werking getreden op 18 februari 2000. Dit brengt mee dat het in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod, dat uitsluitend tot de gebruiker is gericht, ook na de invoering van de Wro en de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 zijn werking heeft behouden. Artikel 7.10 van de Wro, waarin een algemeen gebruiksverbod is opgenomen, dat ook betrekking heeft op het laten gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, is niet van toepassing op het op grond van de WRO tot stand gekomen bestemmingsplan. Gelet op het voorgaande, heeft het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellant] als overtreder van dit verbod kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.