Uitspraak
200905029/1/R1en 26 januari 2011, zaak nr.
201004539/1/R2.
Raad van State
De raad van de gemeente Appingedam stelde op 17 februari 2011 het bestemmingsplan 'Stad Appingedam, deelplan Agrarische gebieden' vast. Tegen dit besluit werd beroep ingesteld door [appellante] en anderen, die bezwaar maakten tegen de toekenning van de bestemming 'Water' op bepaalde percelen en de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 4'.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bestemming 'Water' voor het gedeelte van de Schaaphornertocht en de dwarssloot ten westen van de percelen met aanduidingen L243, L242 en tussen L241 en L242 onjuist was vastgesteld en in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De raad stelde zich tijdens de zitting op het standpunt dat een andere invulling passend was, maar dit was niet in het besluit verwerkt.
Ten aanzien van de archeologische dubbelbestemming oordeelde de Afdeling dat de raad zich voldoende had gebaseerd op degelijk archeologisch onderzoek en dat de omgevingsvergunningplicht niet onevenredig belastend was. Ook de omgevingsvergunningplicht voor het dempen van sloten werd als redelijk en noodzakelijk geoordeeld ter bescherming van het landschap, waarbij de raad beleidsvrijheid toekomt.
De Afdeling verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, vernietigde het besluit voor het onjuiste deel van de waterbestemming en wees het beroep voor het overige af. Tevens werd de raad veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan [appellante] en anderen.
Uitkomst: Het bestemmingsplan is gedeeltelijk vernietigd wegens onjuiste waterbestemming; het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.