Uitspraak
200509196/1, kan de wijze waarop de in de inrichting te houden dieren worden gehuisvest echter niet worden aangemerkt als behorende tot het belang van de bescherming van het milieu, nu daaronder niet de inrichting zelf valt. Dit belang wordt derhalve niet door de Wet milieubeheer beschermd. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.
200900801/1/R3volgt echter dat indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm op grond van de Wgv niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. De raad dient in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te maken in hoeverre een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk geworden dat zich in dit geval omstandigheden voordoen op grond waarvan de raad had moeten concluderen dat met het toelaten van de uitbreiding van de pluimveehouderij in verband met geurhinder geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd bij de woningen in de omgeving. In dat verband is van belang dat uit de stukken blijkt dat binnen 2 km rond het bedrijf slechts enkele andere veehouderijen zijn gevestigd en dat de raad in zijn reactie op de zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpplan, onder verwijzing naar de door Tauw opgestelde notitie "Aanvulling MER pluimveehouderij te Nieuw Weerdinge" van 12 november 2010, heeft overwogen dat de cumulatieve geurbelasting afkomstig van het bedrijf van [kuikenmesterij] en de andere intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 km op de meest nabijgelegen geurgevoelige objecten ongeveer 7 OUE/m3 bedraagt en aanzienlijk minder op verder weg gelegen woningen, waaronder de woning van [appellant sub 1].