Uitspraak
200910189/3/R1heeft de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 25 april 2008 tot vaststelling van een wijzigingsplan gegrond verklaard. De Afdeling heeft de raad vervolgens opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een ontwerpwijzigingsplan ter inzage te leggen. Een ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 12 april 2010 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. De raad heeft bij het besluit van 15 december 2011, buiten de termijn als bedoeld in artikel 3.9a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), alsmede niet binnen twee weken nadat [appellant] hiertoe de raad op 6 oktober 2011 in gebreke heeft gesteld, besloten het wijzigingsplan niet vast te stellen.
201103317/1/H4, en 26 mei 2010 in zaak nr.
200906170/1/H1.
200909916/1/R1brengt een redelijke uitleg van artikel 4.1, eerste lid, van de Wro met zich dat regels uit een verordening, als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, die betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan, ook betrekking hebben op de inhoud van een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro. De omstandigheid dat het in dezen om toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit een op grond van de WRO tot stand gekomen bestemmingsplan gaat, doet hieraan niet af.
201103317/1/H4genoemde uitzondering op het uitgangspunt van toetsing aan het recht zoals dat geldt op het moment dat het besluit wordt genomen, baat [appellant] reeds niet, aangezien in het onderhavige geval voor het verzoek - in tegenstelling tot de aanvraag om een bouwvergunning die daar aan de orde was - geen imperatief-limitatief toetsingskader geldt.
200906170/1/H1, overweegt de Afdeling dat die uitspraak ziet op de situatie waarbij een hernieuwde beslissing op bezwaar op een verzoek om vrijstelling van een geldend bestemmingsplan aan de orde is, waarbij uit een eerdere uitspraak van de Afdeling blijkt dat het bevoegd gezag het verzoek ten onrechte heeft afgewezen wegens strijd met het destijds geldende beleid. De daarin aan de orde zijnde situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om de uitspraak van 26 mei 2010 in dit geval na te volgen.