ECLI:NL:RVS:2012:BX6244
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel bij asielaanvraag
De vreemdeling kreeg op 10 maart 2012 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd nadat hem de toegang tot Nederland werd geweigerd en hij asiel wilde aanvragen. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had onderbouwd waarom vrijheidsontneming noodzakelijk was en verklaarde het beroep gegrond.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State, die oordeelde dat de Opvangrichtlijn vanaf het moment van de asielaanvraag van toepassing was en dat het grensbewakingsbelang zwaarwegend is. De Raad stelde dat het opleggen van vrijheidsontneming in dit soort gevallen in beginsel gerechtvaardigd is, tenzij bijzondere individuele omstandigheden dit tegenspreken.
De Raad concludeerde dat de maatregel van acht dagen niet langer duurde dan redelijkerwijs noodzakelijk was en dat de minister terecht geen minder dwingende maatregel toepaste. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel van acht dagen was rechtmatig en proportioneel; het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.