Uitspraak
200804977/1), mogen burgemeester en wethouders, hoewel zij niet aan een welstandsadvies zijn gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hen berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat burgemeester en wethouders dit niet - of niet zonder meer - aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een bericht overlegt van een andere deskundige, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook dat kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet op een deugdelijke motivering berust. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige, dan door een aanvrager of derde-belanghebbende.
200906181/1/H1en 16 maart 2011 in zaak nr.
201008144/1/H1), kan, indien aan een bouwwerk uit een oogpunt van welstand zeer zwaarwegende bezwaren zijn verbonden, een bepaling die deze bezwaren beoogt te keren nodig worden geacht ter bescherming van de openbare orde. Redelijke eisen van welstand kunnen worden aangemerkt als een reëel maatschappelijk belang dat een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting op de voet van tweede lid, van artikel 10 van Pro het EVRM rechtvaardigt vanwege het voorkomen van wanordelijkheden en om de rechten van anderen te beschermen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich daarop in dit geval niet heeft mogen beroepen. Het college heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat het gebied, waarin de antenne zich bevindt, een restrictief welstandsregime kent, terwijl overigens in de gemeente mag worden gebouwd zonder dat een welstandstoets wordt uitgevoerd en voor [appellant], bijvoorbeeld door een kleine aanpassing van de antenne, voldoende mogelijkheden resteren om een antenne-installatie op te richten, teneinde zijn in het eerste lid van voormelde verdragsbepaling vervatte recht te kunnen uitoefenen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college onder deze omstandigheden op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM een beperking van de in het eerste lid gewaarborgde rechten gerechtvaardigd heeft kunnen achten, zodat geen grond bestaat om de bepalingen van de Woningwet buiten toepassing te laten.