Uitspraak
200705901/1), hebben bestaande rechten betrekking op eerder vergunde activiteiten en niet op de milieubelasting daarvan.
Raad van State
Bij besluit van 18 januari 2011 verleende het college van burgemeester en wethouders van Epe een vergunning voor het veranderen van een pluimveeslachterij. Hiertegen werd beroep ingesteld door omwonenden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak en deed een tussenuitspraak op 26 september 2012.
De Afdeling oordeelde dat het beroep van enkele appellanten niet-ontvankelijk was wegens het niet indienen van zienswijzen. De Afdeling ging inhoudelijk in op onder meer de geluidvoorschriften, waarbij werd vastgesteld dat de vergunning onduidelijkheid bevatte over welke grenswaarden op welk moment van toepassing zijn, wat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook werd geoordeeld dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom hogere geluidgrenswaarden in de nachtperiode zijn toegestaan zonder een bestuurlijke afweging volgens de Handreiking industrielawaai.
Verder faalden bezwaren over naleefbaarheid van geluidvoorschriften, geluidhinder door vrachtwagens en muziek, stofhinder, visuele hinder en bodemverontreiniging. Ten aanzien van luchtkwaliteit werd vastgesteld dat het college terecht aannam dat de veranderingen niet in betekenende mate bijdragen aan stikstofdioxideconcentraties, zodat nader onderzoek niet nodig was.
De Afdeling droeg het college op binnen zes weken de gebreken te herstellen, met name door duidelijkheid te scheppen over de geluidgrenswaarden en een bestuurlijke afweging te maken indien nodig. De einduitspraak zal nog beslissen over proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen binnen zes weken de gebreken in de vergunning te herstellen, met name inzake geluidgrenswaarden en motivering luchtkwaliteit.