ECLI:NL:RVS:2012:BX8713

Raad van State

Datum uitspraak
26 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201201424/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep minister tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar verblijfsvergunning

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wees een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd af. De minister verklaarde het bezwaar van de vreemdeling tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde echter dat het bezwaar ontvankelijk was en vernietigde het besluit van de minister.

De minister stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de gemachtigde van de vreemdeling de brief van 30 maart 2011, waarin de minister gelegenheid gaf om het verzuim te herstellen, op niet ongeloofwaardige wijze had ontkend te hebben ontvangen. De Raad van State overwoog dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een niet aangetekende brief is verzonden naar het juiste adres, waarna de geadresseerde het ontvangstvermoeden kan ontzenuwen door feiten te stellen.

De Raad van State stelde vast dat de minister aannemelijk had gemaakt dat de brief op 30 maart 2011 was verzonden. De gemachtigde had niet op niet ongeloofwaardige wijze ontkend de brief te hebben ontvangen, ook niet door het verzoek om een kopie van de brief in juni 2011. Daarom moest worden aangenomen dat de brief kort na verzending was ontvangen.

Omdat de gemachtigde niet binnen de gestelde termijn bezwaargronden had ingebracht, was het besluit van de minister om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren terecht. De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

201201424/1/V1.
Datum uitspraak: 26 september 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 18 januari 2012 in zaak nr. 11/23594 in het geding tussen:
(de vreemdeling) (hierna: de vreemdeling)
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 januari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister voor Immigratie en Asiel een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gemachtigde van de vreemdeling (hierna: de gemachtigde) namens hem op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend dat hij de brief van 30 maart 2011, waarin de minister de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld om het verzuim in het bezwaarschrift van 25 februari 2011 te herstellen, op of rond die datum heeft ontvangen. De minister betoogt dat de gemachtigde in zijn brief van 15 juni 2011 slechts heeft vermeld dat de brief van 30 maart 2011 in het dossier ontbreekt en dat de rechtbank dit ten onrechte heeft aangemerkt als een niet ongeloofwaardige ontkenning van ontvangst. Voorts betoogt de minister dat de enkele omstandigheid dat de gemachtigde op eigen initiatief heeft geïnformeerd naar de behandeling van het bezwaarschrift, noch zijn verzoek om een kopie van de brief van 30 maart 2011, zodanige ontkenning inhoudt.
3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201100582/1/V6; www.raadvanstate.nl) hanteren de hoogste bestuursrechters alle als uitgangspunt dat, in geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het het desbetreffende stuk heeft verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Een bestuursorgaan kan daarom in eerste instantie volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres.
Indien een bestuursorgaan verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe moet de geadresseerde feiten stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat hij de brief van 30 maart 2011 op dezelfde dag heeft verzonden.
De gemachtigde heeft in beroep aangevoerd dat hij die brief niet kort na die datum per post heeft ontvangen, maar eerst, na telefonisch contact en een schriftelijk verzoek daartoe op 15 juni 2011, in juni 2011.
3.2. De rechtbank heeft niet onderkend dat de omstandigheid dat de gemachtigde op eigen initiatief navraag heeft gedaan naar de behandeling van het bezwaarschrift en heeft verzocht om een kopie van de brief van 30 maart 2011, voor beantwoording van de vraag of hij de ontvangst van deze brief op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend niet van betekenis is. Met voormeld verzoek heeft de gemachtigde de ontvangst na de eerste verzending van de brief van 30 maart 2011 immers niet op niet ongeloofwaardige wijze ontkend. De door de gemachtigde overgelegde brief van 15 juni 2011 houdt evenmin zodanige ontkenning in. Ook de enkele stelling van de gemachtigde dat de brief van 30 maart 2011 in het dossier ontbreekt, houdt niet zodanige ontkenning in.
Nu de gemachtigde de ontvangst van de op 30 maart 2011 verzonden brief niet op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend, moet het ervoor worden gehouden dat hij deze brief kort na die verzending heeft ontvangen. Nu de gemachtigde niet binnen de door de minister gestelde termijn bezwaargronden naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister het op 25 februari 2011 gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de minister voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 juni 2011 alsnog ongegrond worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 januari 2012 in zaak nr. 11/23594;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Schuurman
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2012
282-734.
Verzonden: 26 september 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser