ECLI:NL:RVS:2012:BY0148
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring na intrekking asielaanvraag
De vreemdeling werd op 7 augustus 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld en kreeg een terugkeerbesluit. Op 14 augustus 2012 gaf hij aan asiel te willen aanvragen, waardoor hij rechtmatig verblijf kreeg en de bewaring werd voortgezet. Na intrekking van de asielaanvraag op 19 augustus 2012 stelde de minister echter geen nieuw terugkeerbesluit vast, wat volgens de Raad van State onrechtmatig was.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de minister na intrekking van de asielaanvraag, behoudens bijzondere omstandigheden, verplicht is een nieuw terugkeerbesluit te nemen om het rechtmatig verblijf te beëindigen. Omdat in deze zaak geen bijzondere omstandigheden waren, was de voortzetting van de bewaring vanaf 19 augustus 2012 onrechtmatig.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, maar de Raad van State vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De voortzetting van de vreemdelingenbewaring na intrekking van de asielaanvraag was onrechtmatig en de bewaring werd per direct opgeheven.