Uitspraak
201202485/1/A2vanwege de onderlinge samenhang. Vóór de uitspraken zijn de zaken gesplitst.
Raad van State
De appellant had bij besluit van 30 augustus 2010 een aanvraag voor een toevoeging voor rechtsbijstand ingediend, welke door de raad werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de raad het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze niet-ontvankelijkheid bij uitspraak van 31 mei 2011.
De appellant stelde in hoger beroep dat het bezwaar wel tijdig en namens hem was ingediend door mr. Van Voolen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat uit de bewoordingen en context van het bezwaarschrift bleek dat het bezwaar door mr. Van Voolen was ingediend, die geen zelfstandig belang had en het bezwaar niet namens de appellant had kunnen maken. Bovendien was de verklaring dat het de bedoeling was dat mr. Van Voolen bezwaar zou maken, niet binnen de bezwaarperiode ingediend.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.