Uitspraak
201006426/1/R2) kan uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) worden afgeleid dat de wetgever met artikel 1.9 de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.
201200959/2/R1, waarbij de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening van [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn afgewezen en waarbij is ingegaan op deze beroepsgronden. De Afdeling overweegt daarbij dat in hetgeen in de stukken en ter zitting is aangevoerd geen aanleiding wordt gezien voor een ander oordeel dan dat de voorzitter heeft gegeven. Ook voor zover deze beroepsgronden zijn aangevoerd door [appellant sub 1] en [appellant sub 3] kan bij dit oordeel worden aangesloten, aangezien deze beroepsgronden in zoverre overeenkomen met hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd. Hierbedoelde beroepsgronden falen derhalve.