Uitspraak
201106903/1/H1), is het antwoord op de vraag of een perceel al dan niet binnen de bebouwde kom ligt, van feitelijke aard. Van belang is waar de bebouwing feitelijk ophoudt en niet de plaats van de verkeersborden. Gelet op de omstandigheid dat het perceel is gelegen in een straat die wordt gekenmerkt door een bebouwingsbeeld van dicht tegen elkaar aangebouwde vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap-woningen, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het perceel tot de bebouwde kom behoort. Geen aanleiding bestaat derhalve voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om voor het bouwplan een omgevingsvergunning te verlenen.